speelgoed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • speel·goed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord speelgoed -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

speelgoed o

  1. (speelgoed) één of meer voorwerpen voor kinderen om mee te spelen
    Door de brand was ook al het speelgoed van de kinderen verloren gegaan.
Opmerkingen
  • Het woord is een collectivum; een specifiek enkelvoud wordt gevormd met "stuk": een stuk speelgoed.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie