schrokken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schrok·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schrokken |
schrokte |
geschrokt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
schrokken
- (overgankelijk) zo snel mogelijk eten
- Hij schrokte de pannenkoek naar binnen om de wedstrijd niet te missen.
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| schrikken |
schrokken
- meervoud verleden tijd van schrikken
- Wij schrokken.
- Jullie schrokken.
- Zij schrokken.
- Wij schrokken.
Verwante begrippen
Zelfstandig naamwoord
schrokken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord schrok