schipbreuk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schip·breuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schipbreuk schipbreuken
verkleinwoord schipbreukje schipbreukjes

Zelfstandig naamwoord

schipbreuk v/m

  1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
    De Poolse vloot leed schipbreuk.
  2. (figuurlijk) falen, mislukking, ondergang
    Schipbreuk van de beschaving.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie