schipbreuk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: schipbreuk (hulp, bestand)
- IPA: /sxɪbrøk/
Woordafbreking
- schip·breuk
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schipbreuk | schipbreuken |
| verkleinwoord | schipbreukje | schipbreukjes |
Zelfstandig naamwoord
- een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
- De Poolse vloot leed schipbreuk.
- (figuurlijk) falen, mislukking, ondergang
- Schipbreuk van de beschaving.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. een gebeurtenis waarbij een schip zinkt of op de klippen loopt
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.