breuk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • breuk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord breuk breuken
verkleinwoord breukje breukjes

Zelfstandig naamwoord

breuk v/m

  1. (wiskunde) de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
  2. een gebroken gedeelte van een object
Synoniemen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Spreekwoorden
  • zich een breuk lachen
heel erg lachen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord breuk breuke

Zelfstandig naamwoord

breuk

  1. breuk