breuk
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- breuk
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | breuk | breuken |
| verkleinwoord | breukje | breukjes |
Zelfstandig naamwoord
- (wiskunde) de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
- een gebroken gedeelte van een object
Afgeleide begrippen
Synoniemen
Spreekwoorden
- zich een breuk lachen
heel erg lachen
Vertalingen
1. de uitkomst (quotiënt) van een deling van twee of meer gehele getallen
2. een gebroken gedeelte van een object
Afrikaans
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | breuk | breuke |
Zelfstandig naamwoord
breuk