schelen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- sche·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schelen /'sxelə(n)/ |
scheelde /'sxeldə/ |
gescheeld /ɣə'sxelt/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
schelen
- een verschil maken
- Dat scheelt een slok op een borrel.