schelden
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schel·den
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| schelden |
schold |
gescholden |
| klasse 3 | volledig | |
Werkwoord
schelden
- (inergatief) krenkende of beledigende woorden uitspreken op heftige of ruwe toon
- Hij heeft vreselijk gescholden tegen die mevrouw.
Vertalingen
1. krenkende of beledigende woorden uitspreken op heftige of ruwe toon
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| schellen |
schelden
- meervoud verleden tijd van schellen
- Wij schelden.
- Jullie schelden.
- Zij schelden.
- Wij schelden.