schaal

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schaal
enkelvoud meervoud
naamwoord schaal schalen
verkleinwoord schaaltje schaaltjes

Zelfstandig naamwoord

schaal v/m

  1. voorwerp waar men iets kan inleggen
  2. buitenkant van een ei of vrucht
  3. verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
  4. bepaalde ijking op een grafiek , as of eenheid
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
schalen

schaal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schalen
    Ik schaal.
  2. gebiedende wijs van schalen
    Schaal!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schalen
    Schaal je?

Meer informatie