schaal
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- schaal
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | schaal | schalen |
| verkleinwoord | schaaltje | schaaltjes |
Zelfstandig naamwoord
- voorwerp waar men iets kan inleggen
- buitenkant van een ei of vrucht
- verhouding van de grootte tussen een model en een echt voorwerp
- bepaalde ijking op een grafiek , as of eenheid
Vertalingen
1. voorwerp waar men iets kan inleggen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| schalen |
schaal
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schalen
- Ik schaal.
- gebiedende wijs van schalen
- Schaal!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schalen
- Schaal je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.