roddel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- rod·del
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | roddel | roddels |
| verkleinwoord | roddeltje | roddeltjes |
Zelfstandig naamwoord
roddel m
- kwaadsprekerij, achterklap
Vertalingen
1.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| roddelen |
roddel
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roddelen
- Ik roddel.
- gebiedende wijs van roddelen
- Roddel!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van roddelen
- Roddel je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.