riek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- riek
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | riek | rieken |
| verkleinwoord | riekje | riekjes |
Zelfstandig naamwoord
riek m
- (gereedschap) een handwerktuig voor het verplaatsen van bladeren, gras of gewied materiaal in de vorm van een grote vork met smalle tanden
- Geef de riek eens aan.
Anagrammen
Vertalingen
1. een handwerktuig voor het verplaatsen van bladeren, gras of gewied materiaal in de vorm van een grote vork met smalle tanden
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| rieken |
riek
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rieken
- Ik riek.
- gebiedende wijs van rieken
- Riek!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van rieken
- Riek je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.