principe

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • prin·ci·pe
enkelvoud meervoud
naamwoord principe principes
verkleinwoord principetje principetjes

Zelfstandig naamwoord

principe o

  1. een grondoorzaak, werkend beginsel
    Dat is het principe.
  2. een grondbeginsel, grondstelling
    In principe zou dat moeten kunnen...
  3. een stelregel
    Uit principe doe ik dat niet.
Hyponiemen