participant

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • par·ti·ci·pant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord participant participanten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

participant m

  1. iemand die deelneemt aan een activiteit
Synoniemen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. participant bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)


Engels

Uitspraak
Woordafbreking
  • par·tic·i·pant
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse woord participans, het onvoltooid deelwoord van het Latijnse werkwoord participare
  • Engels zelfstandig naamwoord met het achtervoegsel -ant
enkelvoud meervoud
participant participants

Zelfstandig naamwoord

participant

  1. deelnemer, participant
    «A woman died after she was run over by a bus carrying participants of a festival, authorities said.»
    Een vrouw overleed nadat ze werd overreden door een bus met deelnemers van een festival, aldus autoriteiten.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen


Frans

Werkwoord

participant

  1. tegenwoordig deelwoord (participe présent) van participer