overleven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·le·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overleven
overleefde
overleefd
zwak -d volledig

Werkwoord

overleven

  1. in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
    Hij overleefde dat verschrikkelijke ongeval maar op het nippertje.
  2. een hogere leeftijd bereiken dan
    Willem overleefde zijn vader.
  3. voortleven na iemand anders overlijden
    De vader overleeft zijn kind.
Vertalingen