overleven
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˌovərˈlevə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˌovərˈlevə(n)/
Woordafbreking
- over·le·ven
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| overleven |
overleefde |
overleefd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
overleven
- in leven blijven ondanks levensbedreigende omstandigheden of gebeurtenissen
- Hij overleefde dat verschrikkelijke ongeval maar op het nippertje.
- een hogere leeftijd bereiken dan
- Willem overleefde zijn vader.
- voortleven na iemand anders overlijden
- De vader overleeft zijn kind.