optrekken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- op·trek·ken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| optrekken |
trok op |
opgetrokken |
| klasse 3 | volledig | |
Werkwoord
optrekken
- (overgankelijk)door trekken iets naar boven halen
- Als je een riem draagt hoef je je broek niet zo op te trekken.
- (ergatief) zich naar een bepaald doel toe bewegen, meestal ten aanval
- Hij trok op naar de stad Samarkand en verwoestte deze.
- (ergatief) op snelheid komen
- De auto trok bijzonder snel op.
- (ergatief) verdwijnen of omhoog gaan
- De mist trok op, zodat we zagen waar we waren.
- (overgankelijk)iets opbouwen
- De aannemer trok het bouwwerk in enkele weken op.
- (overgankelijk) (medisch), (scheikunde) vloeistof vanuit een voorraadglas of -pot in een injectiespuit of pipet brengen
- De analist trok 5 milliliter oplossing op in de injectiespuit.