opblijven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·blij·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opblijven
bleef op
opgebleven
klasse 1 volledig

Werkwoord

opblijven

  1. (ergatief) niet gaan slapen
    Ik vind dat je veel te lang opblijft.