ontnuchteren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·nuch·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van nuchter met het voorvoegsel ont- en met het achtervoegsel -en
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
ontnuchteren
ontnuchterde
ontnuchterd
zwak -d volledig

Werkwoord

ontnuchteren

  1. (overgankelijk) terugbrengen uit een waan of roes
    Ze beschikte over een recht-toe-recht-aan levenswijsheid, die mij vaak ontnuchterde.
  2. ontgoochelen door ontdekking van de waarheid
    ontnuchteren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)
Afgeleide begrippen
Vertalingen