nuchter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nuch·ter
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nuchter nuchterder nuchterst
verbogen nuchtere nuchterdere nuchterste

Bijvoeglijk naamwoord

nuchter

  1. niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
    Nu hij weer nuchter was, bleek hij een heel redelijk mens.
  2. geen ontbijt genuttigd hebbend
    Hij moest die medicijnen op nuchtere maag inslikken.
  3. niet snel tot emotionaliteit geneigd
    Hij stond bekend om zijn nuchtere kijk.
Vertalingen