nuchter
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- nuch·ter
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | nuchter | nuchterder | nuchterst |
| verbogen | nuchtere | nuchterdere | nuchterste |
Bijvoeglijk naamwoord
nuchter
- niet onder de invloed van iets bedwelmends, vooral alcohol
- Nu hij weer nuchter was, bleek hij een heel redelijk mens.
- geen ontbijt genuttigd hebbend
- Hij moest die medicijnen op nuchtere maag inslikken.
- niet snel tot emotionaliteit geneigd
- Hij stond bekend om zijn nuchtere kijk.