omarmen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • om·ar·men
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
omarmen
omarmde
omarmd
zwak -d volledig

Werkwoord

omarmen

  1. (overgankelijk) de armen om iemand heen slaan
    Hij omarmde zijn geliefde hartstochtelijk.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen