omarmen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- om·ar·men
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| omarmen |
omarmde |
omarmd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
omarmen
- (overgankelijk) de armen om iemand heen slaan
- Hij omarmde zijn geliefde hartstochtelijk.