noodlot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nood·lot
enkelvoud meervoud
naamwoord noodlot -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

noodlot o

  1. datgene wat het toeval iemand doet overkomen
    Het was blijkbaar zijn noodlot om in die maalstroom terecht te komen.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen