lot

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lot
[1] enkelvoud meervoud
naamwoord lot loten
verkleinwoord lootje lootjes
[2] enkelvoud meervoud
naamwoord lot -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

lot o

  1. toevalskans of teken daarvan
    Hij heeft een aantal loten in de staatsloterij gekocht.
  2. noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
    Zij lieten hem aan zijn lot over.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen