mishandelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mis·han·de·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
mishandelen
mishandelde
mishandeld
zwak -d volledig

Werkwoord

mishandelen

  1. (overgankelijk) iemand slecht behandelen en pijn doen of verwonden
    Omdat hij eind februari een vierjarig meisje heeft mishandeld werd een Drachtster (24) donderdag door de Leeuwarder rechtbank veroordeeld tot een celstraf van acht maanden.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen