matigen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ma·ti·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| matigen |
matigde |
gematigd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
matigen
- (overgankelijk) minder uitbundig of extreem optreden
- Hij heeft zijn kritiek inmiddels flink gematigd.