lullen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- lul·len
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| lullen /'lʏlə(n)/ |
lulde /'lʏldə/ |
geluld /ɣə'lʏlt/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
lullen
- (informeel) onzin uitkramen
- Wat zit je nou te lullen?
- (informeel) verraden
- Hij heeft tegen de politie zitten lullen.
Vertalingen
1. onzin uitkramen
Zelfstandig naamwoord
lullen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord lul