lagen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • la·gen

Werkwoord

vervoeging van
liggen

lagen

  1. meervoud verleden tijd van liggen
    Wij lagen.
    Jullie lagen.
    Zij lagen.

Zelfstandig naamwoord

lagen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord laag


Deens

Woordafbreking
  • la·gen

Zelfstandig naamwoord

lagen, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van lage