lagen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈla.χə(n)/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /ˈla.ɣə(n)/
Woordafbreking
- la·gen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| liggen |
lagen
- meervoud verleden tijd van liggen
- Wij lagen.
- Jullie lagen.
- Zij lagen.
- Wij lagen.
Zelfstandig naamwoord
lagen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord laag
Deens
Woordafbreking
- la·gen
Zelfstandig naamwoord
lagen, g
- bepaalde vorm nominatief enkelvoud van lage