lage

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • la·ge

Bijvoeglijk naamwoord

lage

  1. verbogen vorm van de stellende trap van laag


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • la·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord lag.
vervoeging
onbepaalde wijs lage lage
tegenwoordige tijd lager lager
verleden tijd laget
laga
lagde
voltooid
deelwoord
laget
laga
lagd
onvoltooid
deelwoord
lagende lagende
lijdende vorm lages lages
gebiedende wijs lag lag
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak Klasse 3 zwak
opmerking optioneel optioneel

Werkwoord

lage

  1. (overgankelijk) maken, bereiden
    «Du trenger 3 skåler for å lage denne kaken.»
    Je hebt 3 schotels nodig om deze taart te maken.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
  • lage seg
  • lage selv
  • lage til
Uitdrukkingen en gezegden
  • lage en scene
een scène maken
  • lage mål
een goal maken / een doel maken / een doelpunt maken / een doelpunt scoren
  • lage et kunstverk / en kake
een kunstwerk / een taart maken

Zelfstandig naamwoord

lage
  1. verouderde spelling of vorm van lagje van vóór 2005
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud, mannelijk en onzijdig


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • la·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord lag.
vervoeging
onbepaalde wijs lage
laga
tegenwoordige tijd lagar
verleden tijd laga
voltooid
deelwoord
laga
onvoltooid
deelwoord
lagande
lijdende vorm lagast
gebiedende wijs lag
laga
lage
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking

Werkwoord

lage

  1. (overgankelijk) maken, bereiden
    «Vi har laga eit møterom med alle audiovisuelle facilitetar.»
    We hebben een vergaderruimte met alle audiovisuele faciliteiten gevormd.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
  • lage seg
  • lage selv
  • lage til
Uitdrukkingen en gezegden
  • lage mål
een goal maken / een doel maken / een doelpunt maken / een doelpunt scoren
  • lage eit kunstverk / ein kake
een kunstwerk / een taart maken