inkoop
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- in·koop
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | inkoop | inkopen |
| verkleinwoord | (inkoopje) | (inkoopjes) |
Zelfstandig naamwoord
inkoop m
- (handel) het kopen van goederen
- Hij was inkopen wezen doen.
- (handel) gekochte goederen
- Hij had een deel van zijn inkopen bij de kassa laten staan.
Synoniemen
Antoniemen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| inkopen |
inkoop
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inkopen
- ... dat ik inkoop.