inkoop

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • in·koop
enkelvoud meervoud
naamwoord inkoop inkopen
verkleinwoord (inkoopje) (inkoopjes)

Zelfstandig naamwoord

inkoop m

  1. (handel) het kopen van goederen
    Hij was inkopen wezen doen.
  2. (handel) gekochte goederen
    Hij had een deel van zijn inkopen bij de kassa laten staan.
Synoniemen
Antoniemen

Werkwoord

vervoeging van
inkopen

inkoop

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van inkopen
    ... dat ik inkoop.