imiteren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- imi·te·ren
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van het Franse imiter (met het achtervoegsel -eren) [1]
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| imiteren |
imiteerde |
geïmiteerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
imiteren
- (overgankelijk) doen wat iemand anders doet
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
1. doen wat iemand anders doet