nabootsen

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • na·boot·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
nabootsen
bootste na
nagebootst
volledig

Werkwoord

nabootsen

  1. nadoen; imiteren.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Andere talen