hypothekeren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hy·po·the·ke·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hypothekeren
hypothekeerde
gehypothekeerd
zwak -d volledig

Werkwoord

hypothekeren

  1. (overgankelijk) als hypotheek stellen
    Is het mogelijk om dit te hypothekeren?
  2. (overgankelijk) de realisering of het voortbestaan van iets bemoeilijken of in gevaar brengen
    hypothekeren bij Woordenboek der Nederlandse taal (1500 tot ...)