hield tegen
Uit WikiWoordenboek
Nederlands
Woordafbreking
- hield te·gen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| tegenhouden |
hield tegen
- enkelvoud verleden tijd van tegenhouden
- Ik hield tegen.
- Jij hield tegen.
- Hij, zij, het hield tegen.
- Ik hield tegen.