hameren
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ha·me·ren
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| hameren |
hamerde |
gehamerd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
hameren
- (overgankelijk) met een hamer inslaan
- Hij hamerde voor de zekerheid nog een paar spijkers door het hout.
- (inergatief) ~ op: zwaar de nadruk op iets leggen
- Hoe hij hier in de klas ook op gehamerd had, het vraagstuk werd allerbelabberdst beantwoord op het examen.