grootte
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordherkomst en -opbouw
Woordafbreking
- groot·te
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | grootte | grootten groottes |
| verkleinwoord |
grootte v
- de mate waarin iets groot is, de afmeting.
- Een meloen ter grootte van een voetbal.
Synoniemen
Gelijkklinkende woorden
Vertalingen
1.