geur
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- geur
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | geur | geuren |
| verkleinwoord | geurtje | geurtjes |
Zelfstandig naamwoord
geur m
- gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
- Hij kwam op de geur af en vroeg onschuldig: "Is er koffie?".
Vertalingen
1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| geuren |
geur
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geuren
- Ik geur.
- gebiedende wijs van geuren
- Geur!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geuren
- Geur je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.