geur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • geur
enkelvoud meervoud
naamwoord geur geuren
verkleinwoord geurtje geurtjes

Zelfstandig naamwoord

geur m

  1. gewaarwording met de neus van de aanwezigheid van een gasvormige uitwaseming
    Hij kwam op de geur af en vroeg onschuldig: "Is er koffie?".
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
geuren

geur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geuren
    Ik geur.
  2. gebiedende wijs van geuren
    Geur!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van geuren
    Geur je?

Meer informatie