ga af

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ga af

Werkwoord

vervoeging van
afgaan

ga af

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afgaan
    Ik ga af.
  2. gebiedende wijs van afgaan
    Ga af!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afgaan
    Ga je af?
  4. aanvoegende wijs van afgaan