extra
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ex·tra
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | extra | extra's |
| verkleinwoord | extraatje | extraatjes |
Zelfstandig naamwoord
extra o
- hetgeen men erbij krijgt
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | extra |
| verbogen | - |
Bijvoeglijk naamwoord
extra
- bijkomend.
- U krijgt er nu een extra lampje bij.
- (Limburg) opzettelijk.
- Hij deed het extra.
Vertalingen
2. opzettelijk
Latijn
Voorzetsel
ĕxtrā + accusatief
Tsjechisch
Bijvoeglijk naamwoord
extra