eenvoudig

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • een·vou·dig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen eenvoudig eenvoudiger eenvoudigst
verbogen eenvoudige eenvoudigere eenvoudigste
partitief eenvoudigs eenvoudigers -

Bijvoeglijk naamwoord

eenvoudig

  1. niet ingewikkeld
    De oefeningen die je moet maken zijn eenvoudig.
  2. zonder overdaad of vertoon
    Hij draagt een eenvoudige uitrusting.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen