donor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • do·nor
enkelvoud meervoud
naamwoord donor donoren, donors
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

donor m

  1. (medisch) gever, bijv. orgaandonor: degene die zijn orgaan afstaat
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen