bruisen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- brui·sen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bruisen |
bruiste |
gebruist |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
bruisen
- (inergatief) het overvloedig vormen van gasbelletjes in een vloeistof
- De frisdrank bruiste hevig toen hij er een menthos in gooide.
- overdrachtelijk vol leven zijn
- Brussel was toen nog een bruisende stad.