bruisen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brui·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bruisen
bruiste
gebruist
zwak -t volledig

Werkwoord

bruisen

  1. (inergatief) het overvloedig vormen van gasbelletjes in een vloeistof
    De frisdrank bruiste hevig toen hij er een menthos in gooide.
  2. overdrachtelijk vol leven zijn
    Brussel was toen nog een bruisende stad.
Verwante begrippen
Vertalingen