borrelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bor·re·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
borrelen
borrelde
geborreld
zwak -d volledig

Werkwoord

borrelen

  1. (inergatief) van vloeistoffen zich bewegen door het opstijgen van vele gasbelletjes
    De geopende fles borrelde even heftig en kwam daarna tot rust.
  2. (inergatief) met elkaar een drankje or meer nuttigen
    Ze zaten gezellig te borrelen.