bokken
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA: /ˈbɔkə(n)/
Woordafbreking
- bok·ken
Zelfstandig naamwoord
bokken mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord bok
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bokken |
bokte |
gebokt |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
bokken
- (inergatief) mokken omdat men zich verongelijkt voelt
- (inergatief) (van paarden) de achterhand in de lucht gooien
- (gewestelijk) zich vooroverbuigen, bukken.
Vertalingen
1. mokken omdat men zich verongelijkt voelt
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.