bokken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bok·ken

Zelfstandig naamwoord

bokken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord bok
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bokken
bokte
gebokt
zwak -t volledig

Werkwoord

bokken

  1. (inergatief) mokken omdat men zich verongelijkt voelt
  2. (inergatief) (van paarden) de achterhand in de lucht gooien
  3. (gewestelijk) zich vooroverbuigen, bukken.
Vertalingen

Meer informatie