beving
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·ving
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van beven met het achtervoegsel -ing.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | beving | bevingen |
| verkleinwoord | bevinkje | bevinkjes |
Zelfstandig naamwoord
beving v
- (seismologie) aardbeving, het trillen van de grond
- De beving deed zich gisteravond voor en had een kracht van 6,1 op de schaal van Richter.
- ongecontroleerde, schokkerige beweging van het lichaam
- Door zijn ziekte had hij last van bevingen en verkrampingen.
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| bevangen |
beving
- enkelvoud verleden tijd van bevangen
- Ik beving.
- Jij beving.
- Hij, zij, het beving.
- Ik beving.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.