beving

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ving
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord beving bevingen
verkleinwoord bevinkje bevinkjes

Zelfstandig naamwoord

beving v

  1. (seismologie) aardbeving, het trillen van de grond
    De beving deed zich gisteravond voor en had een kracht van 6,1 op de schaal van Richter.
  2. ongecontroleerde, schokkerige beweging van het lichaam
    Door zijn ziekte had hij last van bevingen en verkrampingen.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bevangen

beving

  1. enkelvoud verleden tijd van bevangen
    Ik beving.
    Jij beving.
    Hij, zij, het beving.

Meer informatie

Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen