berouwen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·rou·wen
Woordherkomst en -opbouw
-
- Van Middelnederlands berowen, berouwen, van Oudnederlands beruuuan, biriuwon
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| berouwen |
berouwde |
berouwd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
berouwen
- (wederkerend) zich ~ over; met persoon als onderwerp: spijt hebben van iets
- Lange berouwt zich nu over zijn hand- en spandiensten aan de grote fraudeurs.
- (onpersoonlijk) met persoon als meewerkend voorwerp: spijten
- Het berouwde hem nog lang dat hij dat gedaan had.
Opmerkingen
- In vroeg Nieuwnederlands is het werkwoord gemengd en komt nog een sterk voltooid deelwoord "berouwen" voor.
- In plaats van een onpersoonlijk onderwerp "het" komen ook wel zaken als persoonlijk onderwerp voor.