berouwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·rou·wen
Woordherkomst en -opbouw
    • Van Middelnederlands berowen, berouwen, van Oudnederlands beruuuan, biriuwon
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
berouwen
berouwde
berouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

berouwen

  1. (wederkerend) zich ~ over; met persoon als onderwerp: spijt hebben van iets
    Lange berouwt zich nu over zijn hand- en spandiensten aan de grote fraudeurs.
  2. (onpersoonlijk) met persoon als meewerkend voorwerp: spijten
    Het berouwde hem nog lang dat hij dat gedaan had.
Opmerkingen
  • In vroeg Nieuwnederlands is het werkwoord gemengd en komt nog een sterk voltooid deelwoord "berouwen" voor.
  • In plaats van een onpersoonlijk onderwerp "het" komen ook wel zaken als persoonlijk onderwerp voor.