berouw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·rouw
enkelvoud meervoud
naamwoord berouw -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

berouw o

  1. het betreuren van een eerdere kwalijke daad
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
berouwen

berouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich berouwen
    Ik berouw me.
  2. gebiedende wijs van zich berouwen
    Berouw je!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich berouwen
    Berouw je je?