bekvechten
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- IPA:
- (Nederland) /ˈbɛkfɛχtə/
- (Vlaanderen) /ˈbɛkfɛxtə/
Woordafbreking
- bek·vech·ten
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| bekvechten |
bekvechtte |
gebekvecht |
| zwak -t | volledig | |
Werkwoord
bekvechten
- (inergatief) ruzie maken
- Zij mogen elkaar niet en gaan om het minste bekvechten.