kibbelen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kib·be·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kibbelen
kibbelde
gekibbeld
zwak -d volledig

Werkwoord

kibbelen

  1. (inergatief) woordenstrijd hebben
    De kinderen kibbelden weer eens op de achterbank.
Synoniemen
Vertalingen