beklemmen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- be·klem·men
Woordherkomst en -opbouw
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| beklemmen |
beklemde |
beklemd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
beklemmen
- (overgankelijk) vasthouden in een klem
- Je moet het voorwerp goed beklemmen.
- (overgankelijk) een bedrukt gevoel geven
- Dat spul beklemt me behoorlijk.
- (overgankelijk) (juridisch) iemand onder beklemrecht brengen
- Wij zullen u beklemmen.