babbel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bab·bel
enkelvoud meervoud
naamwoord babbel babbels
verkleinwoord babbeltje babbeltjes

Zelfstandig naamwoord

babbel m

  1. vlot gepraat of het vermogen daartoe
    Hij heeft een vlotte babbel.
  2. iemand die veel en graag praat

Werkwoord

vervoeging van
babbelen

babbel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van babbelen
    Ik babbel.
  2. gebiedende wijs van babbelen
    Babbel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van babbelen
    Babbel je?