afname

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·na·me
enkelvoud meervoud
naamwoord afname afnamen, afnames
verkleinwoord afnametje afnametjes

Zelfstandig naamwoord

afname v/m

  1. het minder worden
    De afname van zuurstof was groot.
Vertalingen