aanpassing
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- aan·pas·sing
Woordherkomst en -opbouw
- Naamwoord van handeling van aanpassen met het achtervoegsel -ing.
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | aanpassing | aanpassingen |
| verkleinwoord | aanpassinkje | aanpassinkjes |
Zelfstandig naamwoord
aanpassing v
- een verandering in een richting
- Dat was de goede aanpassing waardoor het computerprogramma werkte.
- het zich aanpassen
- Hij maakte een aanpassing in zijn manier van lesgeven.
Hyponiemen
- heraanpassing, huuraanpassing, indexaanpassing, kleuraanpassing, koersaanpassing, loonaanpassing, prijsaanpassing, printeraanpassing, renteaanpassing, salarisaanpassing, statutenaanpassing, wederaanpassing, wisselkoersaanpassing
Afgeleide begrippen
Vertalingen
2. het zich aanpassen