zwangerder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwan·ger·der

Bijvoeglijk naamwoord

zwangerder

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van zwanger
    • Ze had zich nog nooit zo zeker gevoeld. En trots. En zwangerder dan ooit. [1]

Verwijzingen