zoden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zo·den

Zelfstandig naamwoord

zoden mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zode

Werkwoord

vervoeging van
zieden

zoden

  1. meervoud verleden tijd van zieden
    • Wij zoden. 
    • Jullie zoden. 
    • Zij zoden. 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.