zoden
Uiterlijk
- zo·den
de zoden mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zode
| vervoeging van |
|---|
| zieden |
zoden
- meervoud verleden tijd van zieden
- Wij zoden.
- Jullie zoden.
- Zij zoden.
- Wij zoden.
- Het woord zoden staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "zoden" herkend door:
| 93 % | van de Nederlanders; |
| 84 % | van de Vlamingen.[1] |
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be